woensdag 4 januari 2012

Over de Tragisch Realisten

Tijdens het afbreken van de laatste expositie van de Tragisch Realisten werden we benaderd door een jongeman. Zijn naam is Maarten Buser en hij wilde graag meer weten, om wellicht over ons te schrijven. Het resultaat mag er wezen! Zie hieronder.

Er is niets buiten het schilderij, alleen de werkelijkheid
Over de Tragisch Realisten
Door M.A. Buser

Het manifest is één van die typische zaken die niet weg te denken zijn als het om de historische avant-garde gaat. De Tragisch Realisten, een jonge groep kunstenaars, presenteren zich ook als ware beeldenstormers: zo wordt het belang van het manifest onderstreept door het Het ware manifest van de Tragisch Realisten te noemen. Traditiebewust is er ook gekozen waar men zich tegen af gaat zetten: bekrompenheid is uit den boze. Het ‘normale’ is de tragische werkelijkheid, waar het verval al lang en breed in is getreden. Wat kan de kunstenaar hier tegen doen? Een nieuwe werkelijkheid scheppen via de kunst.

Vroeger werd zo’n manifest groot in de krant geplaatst, soms zelfs op de voorpagina, maar in tijden van bezuinigingen op linkse hobby’s, en houdingen die met recht anti-elitarisme en intellectualisme genoemd mogen worden, is de Kunst van haar Voetstuk geduwd, gelijke het standbeeld van Saddam Hoessein, en bleef het ditmaal bij een weinig genuanceerd artikel van Ellen Willems, in de Gelderlander. De Tragisch Realisten werden in dit korte stuk, naar aanleiding van hun expositie in de Gruitpoort te Doetinchem, neergezet als zeurende jongeren die ongenuanceerd hun gal spugen over de Achterhoek, een bekrompen plek zonder enige ontwikkeling. Het leverde een tegenreactie op in de vorm van een ingezonden brief in dezelfde krant, waarin de journaliste vriendelijk, doch streng terechtgewezen werd: “De toonzetting van het stuk illustreert het persoonlijk standpunt van de schrijfster: de Achterhoek is mooi en de jeugd moet niet zeuren.”

De felle stellingname van de groep, waarvan de kunstenaars onderling en zelfs de verschillende werken van de kunstenaars een grote variatie tonen, is bewonderenswaardig, maar zorgt er evenwel ook voor dat een beschouwend artikel over hen een wat lastige onderneming wordt. Ofschoon geen van hen een ronduit intimiderend uiterlijk bezit, wil ondergetekende voor geen goud in de Ellen Willems-val trappen. Onterechte conclusies trekken en incorrecte informatie de wereld in helpen lijkt als duidelijk gevaar om de hoek te kijken, als een ‘buitenstaander’ zich over de theorieën achter de kunst buigt en die probeert te reconstrueren. Het gedachtegoed van de heren en dames Tragisch Realist is namelijk wat hen verbindt. Dit valt ook niet los te koppelen van de geëxposeerde werken, waarin thema’s verwerkt zijn als de Arabische Lente, het onvermogen van de linkse partijen in Nederland om met alternatieven voor het bekritiseerde rechts te komen en ook de kunst zelf.

Zoals gezegd, de onderlinge diversiteit is groot, maar in de meeste werken echoën roemruchte, vernieuwende voorgangers door. De naam van de groep is al enigszins ironisch, of ‘met een knipoog’, zoals dat zo clichématig gezegd wordt tegenwoordig. Er is geen objectieve weergave terug te vinden, als we strikte opvattingen over realisme als kunststroming hanteren. Als er echter aan het woord ‘realist’ gedacht wordt buiten de kunst om, komt men waarschijnlijk verder. Hier spreken mensen met nog enig idee van hoe de wereld in elkaar lijkt te steken.

Het oeuvre van Daan van Tricht, dat in kwantiteit het meest vertegenwoordigd was, omvat bijvoorbeeld expressionistische werken waarin niet zelden een subtiele invloed van Francis Bacon terug te zien is, maar ook doeken die moeiteloos aansluiten bij de pop-art.


Het tweeluik Batman is een mooi voorbeeld er van. Beide doeken tonen de omtrek van het gelaat van de caped crusader, met een duidelijk naar Margritte verwijzende tekst. In plaats van ‘Ceci n’est pas’, staat hier dan wel ‘C’est ne pas’, misschien bewust om de referentie er niet te dik op te leggen, maar het concept is hetzelfde. C’est ne pas un homme super (of een super homme, zoals op het andere schilderij), maar een schilderij van een supermens, als we Margritte volgen. Wie een beetje bekend is met Batman zelf, en wie heeft er om te beginnen nou niet Batman Begins en The Dark Knight gezien, zal de tekst ook op een andere manier opvatten: in tegenstelling tot collega’s als Superman of Spider-Man heeft Batman geen superkrachten. Soit, hij is onderlegd in de nobele ninjakunsten, maar zijn ‘superkrachten’ ontleent hij aan het technologisch geavanceerde harnas dat hij draagt. We kijken naar twee schilderijen van een supermens dat geen supermens is, een dubbele illusie.

Idee, de titel alleen al past perfect bij de min of meer symbolistische houding die in het manifest naar voren komt, ontleent zijn beeldende aspect ook aan de stripcultuur, net als de Batman-doeken. In tegenstelling tot de inhoud van die doeken, die naar het fictieve personage en het schilderij-zijn verwijzen en zo dus het eigen fictief zijn onderstrepen, plaatst Idee zichzelf wel in de maatschappij. Het sobere schilderij, een wit gedachteballonnetje met drie puntjes er in, op een rode achtergrond, is namelijk politiek geladen. De rode achtergrond verwijst namelijk naar de linkerkant van het politieke spectrum in Nederland. De puntjes staan natuurlijk voor het gedachteloos zijn, dus in weerwil van de titel beeldt het een staat ideeënloosheid uit, maar specifieker worden deze drie puntjes, soms als een spráákballonnetje, gebruikt om aan te geven dat iemand sprakeloos is door iets wat er net gebeurt is. Volgens de bij de tentoonstelling meegeleverde hand-out verwijst het schilderij naar het onvermogen van links om alternatieven te bieden voor de puinhopen die rechts heeft aangericht.

Het ‘probleem’ is dat er naar tekst verwezen moet worden om de volledige strekking te expliciteren, omdat het schilderij zelf wat tekortschiet op dat vlak, wat niet onbegrijpelijk is. Vroeg of laat loopt alles tegen een grens aan, waarna het zich realiseert dat er nog meer grenzen zullen zijn. De Batman-doeken verwijzen wederom naar tekst, terwijl de hand-out ook een begeleidende tekst heeft die naar die werken verwijst. Hierin wordt gesteld dat er nog maar één mogelijkheid iets tot het maken van iets origineels: bestaande beelden in stukken hakken en hiermee iets nieuws proberen te scheppen. Impliciet wordt er beweerd dat alles al gedaan is, behalve het maken van combinaties. Een kanttekening bij dit schrijven moet gezet worden: het wordt gepresenteerd alsof het de enige mogelijke stap na het postmodernisme is, terwijl juist dit systeem van combinaties maken typisch postmodern is.

Het verband met de intertekstualiteittheorie van de postmoderne filosoof Jacques Derrida, is evident. Een tekst is een collage van citaten (tot op het niveau van woorden en zelfs letter of teken) en kan dus nooit origineel zijn. Derrida’s theorie dat alle tekst verwijst naar andere tekst hangt hier uiteraard mee samen. Het veelgebruikte beeld hierbij is dat van het woordenboek: het opzoeken van een woord levert andere woorden op, die je ook weer op kunt zoeken in het woordenboek, waarna je nog meer woorden tegenkomt.


Een idee is al een tekst. Het is onduidelijk in hoeverre heel onze wereld taal is (geworden) en hoe taal de wereld beïnvloedt. Rick Groters’ werk Che?, één van de meest intrigerende werken van de tentoonstelling. Met tape (een verwijzing naar censuur?) is een portret van wijlen Kadaffi gemaakt, op een wijze die overduidelijk verwijst naar het iconische portret van Che Guevara dat te pas en te onpas opduikt op t-shirts van mensen die geen idee hebben wie Guevara eigenlijk was en wat hij deed, laat staan dat ze er communistische sympathieën op na houden. Che? is poging om Guevara ‘merkloos’ te maken. Wie het wereldnieuws gevolgd heeft, zal zich wel twee keer bedenken voor hij een dergelijk shirt met Kadaffi’s beeltenis zou aantrekken om modebewust te lijken. Dat de tekst ‘Che?’ ook de associatie met het Franse ‘Que?’ oproept, onderstreept nog maar eens dat dit kunstwerk mensen een spiegel voorhoudt.

Of het nu om een leeg stripballonnetje, Kadaffi of de ontmaskering van Batman gaat, telkens vindt er een proces van het doorbreken van de illusie en de daaropvolgende ontnuchtering plaats. Dit anti-illusionaire effect lijkt dan ook de sleutel naar de naam van de Tragische Realisten te zijn: de werkelijkheid valt tegen. Keer op keer wordt de toeschouwer er op gewezen dat het om een schilderij gaat, een kunstwerk, geen brokje absolute waarheid.

Een schilderij pretendeert nooit de waarheid te zijn; hoogstens een afbeelding van de waarheid. Als een schilder geprezen wordt om zijn realisme, dan is dat omdat het er net echt uit ziet, niet omdat het ook werkelijk waar echt is. Een schilderij verwijst zo keer op keer naar haar eigen schilderij-zijn. Elke expositieruimte, elk atelier is gevuld met realisme, behalve op de plekken waar een doek staat of een tekening hangt. Het realisme van de Tragisch Realisten staat dan ook nooit, maar dan ook nooit op het canvas, maar ernaast.

Het moge duidelijk zijn dat het werk van de Tragische Realisten een sterk pragmatisch karakter heeft. Al is de ontnuchtering onvermijdelijk, er is een toeschouwer voor nodig. Vergelijk het met een muizenval: die kan wel zo kunstig gezet zijn, er kan wel zulke heerlijke kaas ingedaan zijn als lokkertje, maar zonder muis zal het ding niet dichtklappen. Een puur esthetische muizenval zou zelfstandig dichtklappen zonder muis en dus geen enkel pragmatisch functie vervullen. De geëxposeerde werken staan echter niet op zichzelf: het zijn dan wel kunstig en verleidelijk vormgegeven vallen, waarbij de begeleidende teksten vaak als extra stukje kaas fungeren. Dat er iemand met zijn hoofd tussen de klem terecht komt staat echter vast.

Ondanks de raakvlakken met het symbolistische gedachtegoed vormen de Tragisch Realisten absoluut geen groep van Ivoren Toren-kunstenaars. Enerzijds worden er via beeld en tekst genoeg aanwijzingen aangedragen zodat de toeschouwer een deel van die tragische én de hogere werkelijkheid kan aanschouwen, maar daarmee is het kunstwerk nog niet af. Op deze manier is er net een evenwicht tussen de subjectieve beleving van de kunstenaar en van de toeschouwer. Er is evenveel of evenmin sprake van ‘indoctrinatie’ als van een vrijblijvende kunstbeleving, maar eerder van subtiele, doch dwingende aanwijzingen in de goede richting. Het gedachtegoed van de Tragisch Realisten is op deze manier niet geheel doortimmerd en vrij van kieren, maar juist realistisch door te stellen dat een kunstwerk niet kan leven zonder dat er iemand is die er naar kijkt.

1 opmerking:

  1. Beste Daan, allereerst bedankt voor het plaatsen van het artikel. Maar zou je nog de al eerder aangehaalde fout 'na aanleiding' willen veranderen in 'naar aanleiding'? Ook zou ik het prettig vinden (maar ik verplicht je tot niks) als je de cursiveringen die ik aanbracht in mijn tekst, ook hier overgenomen werden. Soit, ik wil niet al te kritisch lijken, want ik ben natuurlijk blij dat je het stuk plaatst.

    BeantwoordenVerwijderen